Preventie diabetes mellitus. • isderafit.nl
  • ontvruchtbaarheid biotherapie energie behandeling

    Onvruchtbaarheid wordt meestal veroorzaakt door hormonenwisseling bij oudere vrouwen. Ook door gebruik van tabletten die zwangerschap tegenhouden is dat meestal bij jonge meisjes en jonge vrouwen het geval. Onvruchtbaarheid is goed te behandelen met een Bio Therapie Energie behandeling.

    Meer
    ontvruchtbaarheid biotherapie energie behandeling
  • hersen letsel en Epilepsie. Sporten met niet aangeboren Hersenlet…

    Hersenletsel en epilepsie, sporten met niet aangeboren hersenletsel. Wat is nodig om mensen met niet aangeboren hersenletsel in de chronische fase een op maat gemaakt sportprogramma aan te bieden? Het is bewezen dat door lichamelijke activiteit de kans op epileptische aanvallen niet wordt vergroot, maar lijkt juist te verminderen.

    meer
    hersen letsel en Epilepsie. Sporten met niet aangeboren Hersenlet…
  • Biotherapie energie prana chi qi

    De Bio Therapie Energie, Domancic methode maakt gebruik van energie van het universum. Dat wordt ook wel Prana, Chi, of Qi genoemd: De universele energie, levensenergie, of licht, ons lichaam is omgeven door een elektromagnetisch veld. Het veld, krachtveld is verglijkbaar met het magnetisch veld van de aarde. Dat is een serieuze behandeling die kan, of wordt uitgevoerd in een groep, of op individuele basis.

    meer
    Biotherapie energie prana chi qi
Bio Therapie Energie en Preventie van diabetes, diabetes type 2.

Pre diabetes, diabetes mellitus type 2.

Wat betekent pre diabetes?

Met pre diabetes noemen we preventie van overgewicht, obesitas en diabetes mellitus type 2. Er is bewezen dat omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van overgewicht en obesitas.

Wanneer is de energie inname groter dan het energiegebruik:

  • Leeftijd speelt ook naast erfelijke aanleg een belangrijke rol in de ontwikkeling van diabetes mellitus type 2.
  • Fysiologisch gezien overgewicht en obesitas hebben een verminderde gevoeligheid van spieren, lever en vetweefsel voor insuline.
  • Een verminderde productie van insuline in de alvleesklier leidt tot ontstaan van diabetes.

Uiteindelijk produceert de pancreas onvoldoende insuline om de bloedglucosespiegel binnen normale grenzen te houden en spreekt men van diabetes mellitus type 2.

Overgewicht en obesitas hebben een sterke relatie tot de ontwikkeling van verschillende aandoeningen:

Zoals:

  • Gewrichtsaandoeningen.
  • Hart- en vaatziekten.
  • Galblaas- en ademhalingsproblemen.
  • Bepaalde vormen van kanker.

Bij diabetes mellitus type 2 ontstaan door te hoge bloed glucosespiegels en een afwijkende vetstofwisseling die veroorzaakt schade aan kleine en grote bloedvaten en zenuwcellen.

Overgewicht en obesitas hebben naast een afwijkend lichaamsgewicht en lichaamssamenstelling geen symptomen..

De belangrijkste klachten ten gevolge van overgewicht en obesitas zijn:

Rugklachten, gewrichtspijn, slaapapneu, vermoeidheid en onvruchtbaarheid.

Depressiviteit is ook vaak gerelateerd aan overgewicht en obesitas.

De symptomen en klachten van diabetes mellitus type 2 zijn naast zwakheid:

  • Van diabetes mellitus type 2 zijn naast zwakheid.
  • Vermoeidheid en lusteloosheid.
  • Vermoeidheid en lusteloosheid.
  • Wazig zien, gewichtsverlies, meer eetlust en dorst.
  • Eventuele risicofactoren bij diabetes mellitus type 2.
  • Diabetes komt vaak voor in de familie.
  • Hoge bloeddruk en of hart- en vaatziekten.
  • Zwangerschap diabetes.
  • Gestoorde vetstofwisseling.
  • Overgewicht en etnische belasting.

BMI Body Mass Index: Dat is het getal dat je krijgt als je je gewicht deelt door de lengte in het kwadraat.

De Body Mass Index geeft aan of er sprake is van overgewicht..

De Body Mass Index geeft echter niet aan hoe het vet verdeeld is in je lichaam en wat de lichaamssamenstelling is.

De buikomvang geeft een goede indicatie van de hoeveelheid abdominaal vet en totaal vet in je lichaam.

Manen.

Normale buikomvang is minder dan 94.

Een buikomvang, meer dan 102 geeft een abdominale vetopslag aan.

Vrouwen:

Normaal buikomvang minder dan 80.

Een buikomvang, meer dan 88 geeft een abdominale vetopslag aan.

Bij mensen ouder dan 70 jaar heeft het meten van de buikomvang de voorkeur boven het bepalen van de Body Mass Index.

De diagnose diabetes mellitus type 2 wordt vermoed op basis van eerdergenoemde symptomen en klachten en wordt door de arts vastgesteld.

De behandeling van klanten met overgewicht en obesitas richt zich in het algemeen op het reduceren van het lichaamsgewicht.

Deze gewichtsreductie dient bij voorkeur gepaard te gaan met een afname van abdominale vetmassa en een gelijk blijven (of in sommige gevallen zelfs een toename) van de totale spiermassa.

Aerobe uithoudingsvermogen, spierkracht en uiteindelijke middelomtrek en lichaamsgewicht zijn de parameters waar de klant zich, in samenspraak met de bewegingsdeskundige, op moet richten.

Verbetering van het aerobe uithoudingsvermogen en de spierkracht, zonder gewichtsverlies, geeft al een forse reductie van het risico op hart- en vaatziekten bij mensen met overgewicht en diabetes mellitus type 2.

Wanneer verbetering van het aerobe uithoudingsvermogen en de spierkracht gepaard gaan met een daling van te weinig lichamelijke activiteit is dat net zo belangrijk in de ontwikkeling van een ongezond gewicht als een te grote energie inname. Lichamelijke activiteit is dus een onmisbaar onderdeel van programma’s gericht op gewichtsvermindering.

In Nederland geldt voor elke volwassen persoon dat deze minimaal dagelijks 30 minuten regelmatig intensief moet bewegen om aan de Nederlandse norm gezond bewegen te voldoen.

Naast fysieke activiteit is een beperking van de energie inname effectief om de vetmassa te reduceren. Een verlaagde energie inname heeft volgens de eerste wet van de thermodynamica gewichtsverlies tot gevolg.

De dieetkenmerken bij behandeling van mensen met een te hoog gewicht bestaan uit een matige energiebeperking, een regelmatig eetpatroon, gebruik van voeding met minder energiedichte producten zoals, chocolade, frites, frikadellen enz. en een kleinere consumptie van vloeibare koolhydraten, frisdrank en vruchtensappen.

Diabetes mellitus type 2 verstoort het koolhydraat en vetstofwisseling.

Naast fysieke activiteit kan een gezond voedingspatroon de koolhydraten en vetstofwisseling normaliseren.

De dieetdoelstellingen bij mensen met diabetes mellitus type 2 zijn het normaliseren van de bloedglucosewaarden en het vetspectrum, preventie van diabetes gerelateerde complicaties en handhaven en normaliseren van het lichaamsgewicht.

Het is belangrijk om te weten dat aan diabetes geen speciale aandacht hoeft te worden besteed.

Suikerconsumptie is geen oorzaak voor de ontwikkeling en verergering van diabetes mellitus type 2.

De bewegingsdeskundige heeft een rol om het onder de aandacht te brengen van een gezond eetpatroon.

De diëtist kan een belangrijke rol spelen in de dieetbehandeling van klanten met een ongezond gewicht en of diabetes mellitus type 2.

Mensen met ernstig overgewicht verliezen ruim minimaal vijf jaar aan gezonde levensverwachting.

Het totaalaantal sterfgevallen waarvan diabetes mellitus type 2 de primaire of secundaire doodsoorzaak bedroeg is 10.811 personen. Dit is 8,1 % van het totaalaantal sterfgevallen. Verder blijkt dat oudere mensen (ouder dan 55 jaar) met diabetes mellitus type 2 een ruim twee keer grotere kans hebben om binnen acht jaar te overlijden, dan mensen zonder diabetes mellitus type 2.

Regelmatige fysieke activiteit, onafhankelijk van gewichtsverlies, kan echter het risico op hart- en vaatziekten met 30-50 % verlagen en de levensverwachting verhogen.

Zelfstandige instroom of multidisciplinaire zorg:

Voor training van mensen met overgewicht of obesitas zonder co morbiditeit, is samenwerking met andere disciplines niet strikt noodzakelijk.

Voor patiënten met overgewicht of obesitas geldt::

  • Dat multidisciplinaire interventies effectiever zijn en de voorkeur verdienen boven monodisciplinaire trainingsprogramma’s.
  • Samenwerking met fysiotherapeut, diëtist, diabetesverpleegkundige en praktijkondersteuner is noodzakelijk in het begeleiden van klanten met diabetes mellitus type 2.

Tijdens de intake beoordeelt de bewegingsdeskundige of de patiënt, kan deelnemen aan een trainingsprogramma. Het is belangrijk dat de patiënt, gegevens bij de hand heeft die inzicht geven over diens belastbaarheid.

Wanneer blijkt dat patiënt,en niet kunnen deelnemen binnen een beweegprogramma, dan dient de patiënt terug verwezen te worden naar de behandelende arts en een fysiotherapeut, gespecialiseerd in het behandelen van patiënten met overgewicht, obesitas en of diabetes mellitus type 2.

Uitsluiting dient dan ook op individuele basis te geschieden, uiteraard het liefst in overleg met behandelaars uit het zorgcircuit. Ideaal zou het zijn als een fitnesscentrum lokaal of regionaal concrete afspraken kan maken met professionals uit een gezondheidscentrum of ziekenhuis, bijvoorbeeld:

huisarts, specialist, praktijkondersteuner of diabetesverpleegkundige. Exclusiecriteria die dan lokaal in overleg geformuleerd kunnen worden, begeven zich op de volgende terreinen:

  • (Medische exclusiecriteria) dit betreft alle patiënten waarover niet met voldoende zekerheid of autoriteit gezegd kan worden dat hun chronische ziekte een stabiel verloop heeft.
  • Fysieke exclusiecriteria: dit betreft alle patiënten, met dermate grote fysieke beperkingen dat enig trainingseffect redelijkerwijs niet haalbaar lijkt.
  • (Mentale exclusiecriteria:) dit betreft patiënten met voldoende motivatie of een psychologisch dan wel psychiatrisch disfunctioneren.

Naast deze exclusiecriteria kunnen er in individuele gevallen specifieke voorzorgsmaatregelen bij intensieve fysieke training noodzakelijk zijn

Overleg met behandelend arts, psycholoog, maatschappelijk werker, diabetesverpleegkundige en praktijkondersteuner of de fysiotherapeut, gespecialiseerd in training bij diabetes mellitus type 2, is dan noodzakelijk.

Tijdens het gesprek met de patiënt met overgewicht of obesitas gaat de bewegingsdeskundige in op de motivatie van de patiënt en de eventuele (medische, fysieke en mentale) beperkingen.

Vervolgens maakt de bewegingsdeskundige een inventarisatie en analyse van het huidige beweegpatroon van de patiënt. Ook inventariseert de bewegingsdeskundige de kennis over de ziekte en het vermogen van de patiënt met diabetes mellitus type 2.

Om een hypoglykemie te kunnen herkennen en de acties die hierbij genomen moeten worden is het in het kader van deze punten belangrijk dat de bewegingsdeskundige bepaalt of de patiënt met diabetes mellitus type 2 in staat is om de bloedglucose adequaat te controleren en de relatie tussen inspanning en veranderingen in de bloedglucose begrijpt.

Wanneer de bewegingsdeskundige de patiënt ongeschikt acht om deel te nemen aan een trainingsprogramma of aanvullende gegevens nodig zijn, dient de patiëntterug verwezen te worden naar de behandelend arts, diabetesverpleegkundige en of praktijkondersteuner.

Wanneer de patiënt geschikt is om deel te nemen aan een trainingsprogramma, zowel binnen als buiten de muren van het sportcentrum, inventariseert de bewegingsdeskundige de persoonlijke doelen, beweegvoorkeuren en -ervaring.

Deze doelstellingen kunnen vertaald worden naar in het dagelijks leven meetbare parameters.

Testen van lichaamssamenstelling, uithoudingsvermogen en kracht. Het is van groot belang dat elke patiënt op dezelfde manier wordt getest, omdat anders de normtabellen en adviezen niet goed toegepast kunnen worden.

Op basis van de verkregen testresultaten kan een op maat geschreven trainingsprogramma worden samengesteld:

  • Het bepalen van de lichaamssamenstelling op basis van de dikte van de huidplooien is niet per se nodig om een goede inschatting van de lichaamssamenstelling te maken
  • Het aerobe uithoudingsvermogen wordt bepaald door de maximale zuurstofopname per kilogram lichaamsgewicht.

Trainingsprogramma:

Als vuistregel geldt dat een merkbare en meetbare verbetering van de conditie bij de patiënt samengaat met de gezondheidseffecten. Het trainingsprogramma van mensen met overgewicht, obesitas en of diabetes mellitus type 2 dient daarom gericht te zijn op het verbeteren van het aerobe uithoudingsvermogen en de spierkracht.

De intensievere inspanningen kunnen het beste binnen het sportcentrum verbeterd worden, omdat hier directe begeleiding beschikbaar is. Minder intensieve en meer langdurige bewegingsvormen kunnen ook buiten de muren van het sportcentrum fysiek actief ontplooid worden. Uiteraard zal de bewegingsconsulent het zelfstandig bewegen moeten aanmoedigen en dat kan zowel binnen als buiten de muren van het sportcentrum.

Op grond van de evaluatie van de training, dient het trainingsschema bijgestuurd en aangepast te worden, zodat er een optimaal trainingsresultaat kan ontstaan.

Preventie van hypoglykemie.

De patiënt dient niet alleen gemotiveerd te zijn om deel te nemen aan een bewegingsprogramma, maar dient ook gemotiveerd te zijn om de bloedglucosespiegels systematisch te documenteren. Een goed inzicht in de bloedglucosespiegels en de reactie van de bloedglucosespiegels op inspanning kan het risico op een hypoglykemie verkleinen.

Tekenen die wijzen op een (dreigende) hypoglykemie zijn:

  • Transpireren.
  • Bleek zien.
  • Hartkloppingen.
  • Trillerig, slap en onzeker.
  • Koud hebben.
  • Licht in het hoofd, duizelig.
  • Wazig zienn
  • Hongerig.

Voor het voorkomen van een hypoglykemie bestaat een aantal algemene richtlijnen.

  • Voorafgaand aan de training moeten de intensiteit en duur van de activiteit worden ingeschat, zodat medicijnen en voeding daarop kunnen worden afgestemd.
  • Overleg met diëtist en praktijkondersteuner, diabetesverpleegkundige is hierin noodzakelijk.
  • Voor aanvang en na ongeveer dertig minuten na afloop van de training dienen de bloedglucosewaarden worden bepaald.
  • In tabel 2 staan voedingsmaatregelen die afhankelijk van de bloedglucose genomen kunnen worden.

Dit betekent dat de patiënt voor aanvang van een training zijn bloedglucose moet bepalen.

  • Tijdens de training dient de patiënt te beschikken over voldoende koolhydraten in de vorm van snel beschikbare koolhydraten in vloeibare (drank) of vaste vorm.
  • Voorafgaand aan de training mag de patiënt geen dorstgevoel hebben. Voldoende drinken vooraf, tijdens en na de training is belangrijk.
  • Het is veiliger om met meer personen gelijktijdig te trainen, dan alleen
  • De patiënt moet inspanning staken wanneer er klachten optreden die wijzen op een dreigende hypoglykemie.
  • Vervolgens dient de patiënt maatregelen te nemen..
  • Het is aan te raden om binnen het sportcentrum een voorraad van producten te hebben die snel beschikbare koolhydraten bevatten.
  • Bij gebruik van insuline dient de patiënt de dosis zelf te verlagen of extra koolhydraten te gebruiken.

Extra koolhydraten verminderen echter het effect van inspanning op het reduceren van de vetmassa.

  • Bij het spuiten van insuline moet men niet boven het gebied spuiten wat tijdens inspanning actief is..
  • Er is nog een aantal andere maatregelen die een patiënt moet nemen.

Deze maatregelen hebben niet direct te maken met het voorkomen van een hypoglykemie, maar zijn voor de patiënt toch belangrijk om in acht te nemen:

  • Het wordt aangeraden patiënten een SOS-armband of ketting te laten dragen
  • Bij eventuele calamiteiten kunnen hulpverleners snel zien dat de patiënt bekend is met diabetes mellitus type 2
  • De patiënt moet inspanning staken wanneer er klachten optreden die wijzen op overbelasting, een zuurstoftekort van de hartspier (acute kortademigheidsklachten en of een onregelmatige pols) of pijn op de borst.
  • Afhankelijk van de duur en intensiteit van de inspanning en de bloedglucosespiegel voorafgaand aan inspanning dient de patiënt een hoeveelheid koolhydraten tijdens inspanning te gebruiken.

Aanbevelingen en conclusie:

Bewegen heeft een positieve invloed op de prognose bij diabetes mellitus type 2. Hierbij dient aangemerkt te worden dat de beweging een bepaalde duur en intensiteit moet hebben en dat de acute effecten op de bloedglucose maximaal 72 uur aanhouden.

Wanneer regelmatig wordt gesport of bewogen heeft dat structurele aanpassingen tot gevolg en zal de insulinegevoeligheid chronisch verbeteren.

Hierbij dient aangemerkt te worden dat structurele aanpassingen verdwijnen wanneer niet meer regelmatig wordt gesport of bewogen.

  • Trainingen, gericht op het uithoudingsvermogen, dienen op den duur opgebouwd te worden naar een trainingssessie met een energiegebruik van 400 kcal.
  • Deze trainingen dienen minimaal driemaal per week te gedaan worden.
  • Trainingen, gericht op het vergroten van spiermassa, dienen ook minimaal driemaal per week gedaan te worden en te worden opgebouwd van 1 naar 3 sessies met acht tot tien herhalingen op tot 80% van de 1RM.
  • De obesitas patiënt dient te streven naar een negatieve energiebalans.
  • Oudere patiënten dienen zicht te richten op het vergroten van de spiermassa door krachttraining.
  • De training moet ondersteund worden door een goede voeding met mogelijk meer eiwit. Overleg met een diëtist is hier noodzakelijk.
  • In alle gevallen is een goede screening noodzakelijk.
Mensen zonder diabetes mellitus type 2.

Sommige mensen (zonder diabetes mellitus 2) zijn tijdens het sporten gevoelig voor lage bloedsuikers. Hierdoor kunnen ze zich wat slap en moe voelen, zweten of duizelig zijn, soms letterlijk en figuurlijk niet meer op de benen kunnen staan. Het kan veroorzaakt worden door een aantal factoren en een oorzaak is langdurig intensief sporten zonder aanvulling van koolhydraten tijdens het sporten. Een andere oorzaak kan zijn dat er kort voor het sporten koolhydraten worden gegeten (15-20 minuten voor het sporten).

HYPOGLYEMIE:

Door het toepassen van een energiedrank kan tijdens het sporten een te lage bloedsuikerspiegel HYPOGLYCEMIE ontstaan waardoor een trillerig en zweverig gevoel ontstaat. De reactie is dan vaak dat er weer extra suiker genomen wordt om deze symptomen te bestrijden, hierdoor wordt echter alleen tijdelijk de hypoglykemie verminderd..

ENZYMAKTIVITEIT:

Het enzym katalyseert de reactie in de spier en zorgt dat de spier zijn laatste reserves in energiearme situaties mobiliseert en omschakelt naar AEOB ALACTISCH energiesysteem.

GLUCOSE is energie plus MELKZUUR LACTAAT is gelijk aan 4 M.M.O.L per liter bloed.

NATRIUM bi CARBONATEN zijn buffers. Die neutraliseren melkzuur.

Melkzuur is “giftig” voor de spieren. Als er teveel in de spier zit kan deze minder goed of zelfs helemaal niet meer werken. Bij overschot aan energie en te veel melkzuur in de spier ontstaan trillingen en een zweverig gevoel die leiden tot beschadigingen, kramp in een spier.

Advertenties door Google™

Tip: Vertel over isderafit.nl aan uw vrienden, familie en relaties

Wanneer U de informatie opisderafit.nlmet Uw vrienden, familie of relaties wilt delen, stuur ze dan op de volgende pagina een gepersonaliseerde e-mail of druk op de knoppen aan de linkerzijde of in de footer om isderafit.nl te delen met Uw vrienden, familie en/of andere relaties.
Lees meer


    Afslanken     Afvallen     Asea
    Biotherapie Prana Chi Qi     Afstand behandeling     Genezen met biotherapie     Groep behandeling      Individuele behandeling      Vragen antworden
    Epilepsie     Hersenletsel     Preventie diabetes     Onvruchtbaarheid
    Fitnesstrainer coach      Personaltrainer     Prijs lijst
    biofit fitness training     algemene voorwaarden
    Contacteer ons     Disclaimer     Cookies Beleid     algemene voorwaarden